Schaken is goed voor het brein, niet alleen van topschakers, maar ook van liefhebbers, zegt Erik Scherder, hoogleraar neuropsychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
"Schaken is uitstekend voor je hersenen omdat je veel neurale netwerken tegelijk activeert. Dat geldt voor huis-tuin-en-keukenschakers zoals ik, maar vooral voor topschakers, zoals Hans Böhm, met wie ik vaak lezingen verzorg. Bij dat soort mensen gebeurt nog veel meer in de hersenen. Topschakers kunnen op dertig borden tegelijk spelen - blind, dus zonder de borden te zien - en herkennen elke situatie op het bord die ze eerder hebben gezien. Topschakers slaan de posities op het schaakbord als één geheel op terwijl ik het per schaakstukje moet doen. In jargon heet dat chunks, grote brokken informatie die door eerdere ervaring een bepaalde betekenis hebben gekregen en met één code in het geheugen kunnen worden opgeslagen.
Ik noem slechts een paar gebieden die bij schaken frequent gebruikt worden. De frontale lob om te plannen, flexibel te denken, af te stappen van een eerdere gedachte, leren van je fouten. En de pariëtale lob, die essentieel is voor informatieverwerking. De schaakstukken hebben een ruimtelijke verhouding met elkaar. Topschakers zijn ook in staat bepaalde netwerken 'uit' te zetten. Door deze kunst houden ze energie over om meer te kunnen 'pieken'.
Bij schaken draait het niet alleen om intelligentie, inzicht en anticiperen, je bent ook continu grenzen aan het verleggen. Daarnaast zijn schaakpartijen nooit hetzelfde.
Schaken is fantastisch voor iedereen en zeker voor kinderen en jongeren. Door te schaken bouw je een cognitieve reserve op die je later kunt aanspreken als je brein achteruitgaat, om jezelf te beschermen tegen ouderdomsziektes."